Dorps wonen is in Drenthe op vele plekken mogelijk. Dat er ook nieuwe erven gebouwd worden, waar bewoners in een zekere collectiviteit wonen, is iets van de laatste tijd. Woningcorporatie Woonservice ging in Exloo de uitdaging aan en vroeg DAAD Architecten om een eigentijdse invulling van het Drentse begrip ‘naoberschap’. Woonconsulent Ina Bijlsma en architect Victor Ackerman lichten het concept van ‘Nei Arf’ toe.

Naoberschap’ als thema voor een kleinschalige dorpsnieuwbouw-ontwikkeling: het is Drents dan wel Twents voor de plicht om de naobers (de buren in brede zin) met raad en daad bij te staan. Hoe kwam dit begrip terecht in Exloo? Ina Bijlsma: ‘De gemeentewerf kwam vrij en de gemeente wilde hier iets bijzonders realiseren. Dit was het eerste nieuwbouwproject in het dorp in 15 jaar, dat bovendien op een voormalig stuk grond van de gemeente gebouwd zou gaan worden. In de discussie met Woonservice kwamen we op naoberschap: hoe zou je daar in gebouwde vorm invulling aan kunnen geven? Die vraag hebben we bij enkele architectenbureaus neergelegd, gevoegd bij de wens van een gemengd koop-huurprogramma. Ook moesten de bewoners vanaf het begin erbij worden betrokken.’

Grip op het begrip

In een besloten prijsvraag werd onder andere DAAD uitgenodigd. Victor Ackerman over de beginfase: ‘Wij hadden met DAAD daarvoor een studie naar zorgerven afgerond, in samenwerking met Onix en Peter de Kan. Het thema was ons in die zin dus niet onbekend.’ DAAD waakte ervoor te snel naar het niveau van het concrete inrichtingsontwerp af te dalen: ‘We hebben in eerste instantie een vertaling gemaakt in een “ruimtelijke vraag”. Daarmee probeerden we greep te krijgen op dat begrip naoberschap. Het heeft een dubbele lading: je let op elkaar, maar je zorgt ook voor elkaar – het is dus niet vrijblijvend. Deze locatie leende zich door een ingesloten, beschutte ligging, prima voor een intieme, vrij afgesloten ruimte. Hoofdprincipe is dat de woningen de ruimte omsluiten: het nieuwe erf. Bewoners en bezoekers kunnen zich er vrij over bewegen. De ruimte maakt ontmoetingen mogelijk, op een niet-verplichtende manier. Parkeren wordt aan de randen opgelost en niet voor de deur, zodat bewoners de kans hebben de buren nog even te spreken.’

Flexibele woningen

Naast de privétuinen hebben de bewoners in de ruimte tussen de woningen ruimte gekregen voor een collectieve buitenruimte. Ackerman hierover: ‘Een gemeenschap ontwikkelt zich niet van de ene dag op de andere, daar gaat tijd overheen. Bewoners mogen zelf bedenken waar ze die plek voor gaan gebruiken. Moestuin, fruitbomen: zij maken de keuze.’ De gebouwde kers op de taart is een schuur annex overkapping in het midden van de ruimte, waar bijvoorbeeld feestjes gevierd kunnen worden. ‘Ziedaar onze inzending voor de selectie, waarmee we als winnaar uit de bus kwamen. In het woningontwerp hebben we gestreefd naar een overgangsgebied tussen openbaar en privé: je stapt niet direct vanuit je woning de collectieve ruimte in.’ Dat komt ook terug in de indeling van de woning waarbij de privé vertrekken aan de tuinzijde liggen en de keuken en eetplek aan de voorzijde. Bij de zes twee-onder-één-kap woningen in de koop en zeven rijwoningen in de huur is ingezet op levensloopbestendige woningen. Ackerman hierover: ‘De keuken is centraal geplaatst; je kunt aan de gemeenschappelijke ruimte eten en aan de tuinkant wonen. Aanvankelijk had DAAD louter op rijwoningen ingezet, het werd uiteindelijk een mix van types. ‘Voor de ruimtelijke samenhang zou aaneengeslotenheid beter gewerkt hebben. Rijwoningen leveren grotere gebouwvolumes op die verwijzen naar de schuurvolumes op een erf, met een meer eenduidige voorzijde van de woningen dan bij een twee-onder-een-kap woning het geval is. Maar we hebben nu met de materialen ook de nodige afstemming kunnen bereiken.’

Elkaar leren kennen

Met de aspirant-huurders en kopers en bijgestaan door Tijmen Hordijk van KAW is het plan concreet ingevuld. Ina Bijlsma over de ‘selectie’ van de bewoners: ‘Dat gebeurde op een frisse en nieuwe manier. We zijn op een mooie zomeravond op het erf gaan staan en hebben mensen gevraagd: denk met ons mee, wat zijn jullie ideeën? Zo is de groep van geïnteresseerden ontstaan.’ Dat er al een eerste concept van DAAD lag waarover het gesprek gevoerd kon worden, betitelt zij als een voordeel: ‘Dat concept sloeg direct enorm aan. Het maakt het voor bewoners gemakkelijker een beeld te vormen, in plaats van helemaal vanaf nul te moeten beginnen.’ Bijlsma heeft bewondering voor het uithoudingsvermogen van de bewoners: ‘Het mooie is dat de meeste mensen van het eerste uur er ook daadwerkelijk zijn gaan wonen. Ze zijn niet afgehaakt, ook al zou je dat bij een proces dat enkele jaren duurt wel verwachten. Er bleek toch nog veel geregeld en uitgezocht te moeten worden.’ Ook Victor Ackerman vond het proces heel plezierig: ‘We konden de bewoners heel concreet vragen wat zij zich voorstelden bij naoberschap. Ook het niet-vrijblijvende karakter ervan kwam aan bod. Dat heeft ons zeker geholpen in de uitwerking. En mensen leren elkaar alvast kennen tijdens het proces. Dat schept een band voor het vervolg, ook al komt iedereen daar wonen met een eigen beeld van wat naoberschap kan betekenen. Uit verhalen van de bewoners blijkt dat mensen elkaar al heel direct helpen en dat is een absolute meerwaarde van dit project.’

Goed contact

Ina Bijlsma kan dat bevestigen: ‘Een van de bewoners kreeg een ongeluk net na de verhuizing; zij is door de medebewoners heel goed verzorgd.’ Van de aanvankelijke vrees van omwonenden dat hier een min of meer afgesloten gemeenschap zou ontstaan, is niets terecht gekomen: ‘Ook met de omgeving is het contact goed. De bewoners van Nei Arf hebben direct het contact gezocht met de buurtvereniging en dat gaat prima.’ Het project is net voor de zomer opgeleverd, de ‘schuur’ op het midden van het terrein is vernoemd naar Jacob Bruintjes – scheidend wethouder van Borger-Odoorn. Of er een vervolg op komt is echter nog maar de vraag, zo geeft Bijlsma aan: ‘We zijn in afwachting van de discussie in Den Haag over het speelveld van de corporaties. Mogelijk dat zaken als koopwoningen, investeringen in leefbaarheid en een collectieve voorziening niet meer mogen. Dan valt de basis onder dit soort projecten weg. Dat zou jammer zijn, want de bewoners en het dorp zijn zeer op dit project gesteld.’

Fotografie: Marianne Berkhoff

Kees de Graaf is stadsgeograaf, freelance tekstschrijver [Studio Platz] en correspondent voor gebiedsontwikkeling.nu en ArchiNed. Hij blogt voor Roeg en Roem over architectuur, stedenbouw en gebiedsontwikkeling in dorp en stad.

Bekijk al onze bloggers